De stap naar de basis

Merel van Vroonhoven (staand) en Heleen van Balen. Foto Duncan Wijting

‘Ik was geschokt. Ik dacht: is dát nou samenwerken?’ ‘We hebben een systeem gecreëerd waarin bijles noodzakelijk is’

Dagblad van het Noorden, Inki de Jonge

Merel van Vroonhoven werd in 2012 uitgeroepen tot Topvrouw van het Jaar en maakte aan de vergadertafel het verschil voor velen. Maar ze wilde het verschil maken voor het individu. En werd juf.

Onbarmhartig schijnt de koperen ploert op het terras aan het Hoornse Meer. Twee vrouwen zijn neergestreken onder de parasol: onderwijsorganisator Heleen van Balen en Merel van Vroonhoven, ex-topbestuurder, nu lerares. Juf Merel neemt een slokje van haar cola-light met ijs en citroen – haar nagels blauwgeel als de Oekraïense vlag - en zegt: "Een mens kan zoveel levens leiden. En elke afslag leidt tot een nieuwe.’"

Succes wordt vloeibaar

Ho. Nee. Dit wordt geen gesprek over reïncarnatie. Dit gesprek met Merel van Vroonhoven gaat niet over het volgende bestaan, maar over dit leven, hier en nu, een leven waarin je een verschil kunt maken. Waarin succes vloeibaar wordt. Succes. Zij weet alles van ‘succes’. Ze zat in de directie van Nationale Nederlanden, was lid van het Europees managementcomité bij ING-investment management, zat in de raad van bestuur bij de Nederlandse Spoorwegen en was bestuursvoorzitter van de Autoriteit Financiële Markten AFM.

Het glazen plafond bestaat niet, zei ze vroeger, 33 was ze toen, en ze geloofde het. Afgestudeerd als Delfts ingenieur zag ze zichzelf niet werken op een olieplatform en rolde ze na een opleiding aan de prestigieuze Insead business school de financiële wereld in. In 2012 werd ze uitgeroepen tot Topvrouw van het Jaar. Een opeenvolging van de juiste keuzemomenten - dat, dacht ze, was succes.
Tot ze drie jaar geleden een afslag nam.

Hier doen we het voor, zeg ik tegen de minister

Tegenwoordig is ze lerares op een basisschool voor speciaal onderwijs. Drie dagen per week geeft ze les aan een klas van elf kinderen met autisme, de andere dagen vertelt ze in speeches en aan vergadertafels over de dagelijkse praktijk in die klas. "Ik neem een foto mee van mijn leerlingen en zeg tegen de minister en zijn ambtenaren: ‘Hier doen we het voor’."

Wilde ze vroeger vanuit de directiekamer iets betekenen, nu is dat andersom. De klas is haar basis. Daar wil ze betekenisvol zijn. En dat gegeven gebruikt ze om aan de vergadertafel een verschil in gang te zetten. Al met al een ‘louterend maar confronterend proces’, zegt ze. "Soms voel ik me een correspondent uit een ander werelddeel."
Die afslag in haar leven diende zich al aan toen haar eigen zoon autisme bleek te hebben. "Ik maakte me zorgen, ik dacht: zou hij dan wel hetzelfde leven kunnen leiden als ik? Terwijl ik tegelijkertijd zag hoe onvoorstelbaar belangrijk zijn leraren waren in zijn ontwikkeling. Ze zagen nooit wat hij niet kon, alleen maar waar hij wel goed in was. En dan besef je hoe vooringenomen je kunt zijn over wat succes is."

‘Ik ga naar de Pabo’

Dat besef verdiepte zich nog toen ze met haar zoon op verjaarsvisite ging bij een van zijn klasgenoten. "Een heel slimme jongen. Maar zijn alleenstaande moeder was werkloos. Er was geen vloerbedekking in dat huis en er hing niets aan de muur, behalve een tekening van die jongen. Toen we terugreden naar huis, vroeg mijn 10-jarige zoon: ‘Mama, waarom hebben wij zo veel en zij zo weinig?’ En ik kon geen antwoord geven."
Eind 2018 maakte ze een wandeling door de duinen bij Den Haag, waar ze woont. En dacht: ‘Ik wil betekenis geven aan mijn leven. Waarom word ik geen leraar? Ik ga naar de Pabo.’ En begon ze op haar 50ste aan een geheel nieuw hoofdstuk in haar leven.

De verbeelding aan de macht? Nou, nee

Dat streven naar een mooiere wereld, het was haar als kind van de protestgeneratie met de paplepel ingegoten. Geboren in 1968, het jaar dat de studenten in Parijs riepen dat de verbeelding aan de macht moest, groeide ze op in de egalitaire samenleving van de jaren zeventig. "Ik zat in mijn jeugd vol idealen. Alle mensen waren gelijk. Iedereen had dezelfde kansen. Maar ik werd volwassen in het neoliberale gedachtegoed van de financiële wereld. Daar wilde ik bewijzen dat je als vrouw aan de top kon komen en slaagde daarin."

De verbeelding aan de macht? Nou, dat systeem zat toch anders in elkaar, merkte ze bij ING. "Ik weet nog dat op zeker moment Jack Welch werd ingevlogen, voormalig CEO bij General Electric. Hij hield een speech hoe je als directie moest snijden in de organisatie, voor meer ‘aandeelhouderswaarde’. De beste manier, zei hij, was om mensen elkaars concurrenten te laten zijn. De beste 20 procent kreeg een beloning, de 60 procent van de middenmoot zou dat als stimulans ervaren om beter te presteren en de slechtste 20 procent moest je ontslaan. Ik was geschokt. Ik dacht: is dát nou samenwerken?"

Dat competitiemodel, daarvan is de maatschappij doordesemd, zag ze in haar latere baan bij de NS, waar ze onder meer verantwoordelijk was voor de hogesnelheidslijn. "Ik zag tot mijn schrik ook daar het adagium: als je maar concurrentie organiseert, komt het goed."

Concurrentie waar het juist niet zou moeten

En ja, zegt ze, dat concurrentiemodel is springlevend op plekken waar dat juist niet zou moeten: in het onderwijs bijvoorbeeld.
"Scholen krijgen geld voor het aantal leerlingen dat ze onderwijzen. Dus zijn scholen gericht op eigen behoud. Werken vrijwel niet samen. Hogescholen niet, universiteiten niet, schoolbesturen niet. We hebben van de leraar een uitvoerder gemaakt. Die moet zoveel bijhouden en verantwoorden om maar meetbaar te zijn. Die heeft geen tijd om lessen te bedenken, dus hee, weet je wat, daar bedenken we een lesmethode voor die je met één druk op de knop kunt starten op het digiboard. Maar je wilt geen leraar worden om alleen op zo’n knop te drukken."

Mijn leerlingen zijn geen Citoscore

En dan de Cito-toets, zegt ze. Het systeem doet haar denken aan het concurrentiemodel van de vorig jaar overleden good old Jack Welch. "Het is hetzelfde principe! We meten niet wat een kind kan of weet in absolute zin, maar relatief gezien, namelijk: de verhouding van de kinderen onderling. Waar je wieg staat, is bepalend. Als jouw ouders geen Nederlands spreken en je daardoor een taalachterstand hebt, beland je gemakkelijk in het vakje vmbo. Niets mis met vmbo, maar wel als de havo of het vwo beter bij je past. We hebben een onderwijssysteem gecreëerd waarin bijles noodzakelijk is, afschuwelijk. Dat concurrentiemodel zit in de haarvaten van ons denken. We meten rekenvaardigheid, taalvaardigheid, maar we meten geen creativiteit. Mijn leerlingen zijn geen citoscore."

Ze houdt van schrijven. Als jonge vrouw schreef ze al verslagen van de reizen met haar moeder. Over haar carrièreswitch schreef ze het boek De Stap en in de Volkskrant beschrijft ze wekelijks haar ervaringen in een column in de zaterdagkrant. Daar krijgt ze veel reacties op van mensen die haar afslag bewonderen. ,,Ik kreeg een mail van een jonge vrouw die advocate is op een kantoor aan de Zuidas. Ze schreef me dat ze het zo opluchtend vond om te denken dat zij dit ook zou kunnen. Dat ze niet vastzat in de ratrace.’’ De columns komen gebundeld onder de titel Voor de Klas dit najaar in de boekwinkel.

Crossmentoring koppelt schooldirecteuren aan bedrijfsleven

Maar ook op andere fronten timmert Merel van Vroonhoven aan de weg. Ze zette in 2019 samen met de Algemene Vereniging Schoolleiders het cross-mentoring project op, dat duizend mensen uit het bedrijfsleven aan duizend schooldirecteuren koppelt. Heleen van Balen zette cross-mentoring uit in het Noorden. "Schooldirecteuren zeggen: ik heb ineens stakeholders! Wat moet ik ermee?", zegt Van Balen. "Veel schoolbesturen denken dat een schooldirecteur ‘krijt aan de vingers’ moet hebben, dus zelf voor de klas hebben gestaan anders kun je geen leidinggeven denkt men. Dus de schooldirecteur, voormalig leerkracht, is een manusje van alles geworden, moet leidinggeven aan grote veranderingsprocessen, maar heeft geen marketing, geen secretariaat. Cross-mentoring kan dan helpen, twee werelden kunnen van elkaar leren, niet in de vorm van cursussen, maar door middel van een aantal ontmoetingen in elkaars werkomgeving. Dat is de kracht."

Ervaren beginners

Wat Van Vroonhoven verbaast is de manier waarop ‘ervaren beginners’ - zij-instromers als zijzelf - worden behandeld op de opleidingen. "Waarom moet een lerares Frans die wiskunde wil geven opnieuw een opleiding van vier jaar doen? Waarom moet een gepromoveerd wetenschapper zijn onderzoeksvaardigheden aantonen? De keuze om leraar te worden is geen demotie hè?"

Sinds een jaar heeft ze haar eigen klas, op de Eerste Nederlandse Buitenschool in Den Haag. En zit ze op dinsdagmiddag niet meer aan de bestuurstafel, maar met drie kinderen op een kleedje om ze de beginselen van het steensgewijs bouwen te leren. Krijt aan de vingers heeft ze nog niet in overvloed, maar al doende leert men. "Ik kom thuis met fietstassen vol verhalen", zegt ze. "Leraar zijn is een ambacht. Het is het mooiste, het moeilijkste, het meest ondergewaardeerde vak. En het meest belangrijk."